Beschaamd vertrouwen – misbruik in de jeugdzorg

jeugdenco 8 beschaamd vertrouwen

Download PDF

In welke jeugdzorginstellingen en pleeggezinnen vond én vindt seksueel misbruik plaats? Twee commissies doen er onderzoek naar. De commissie Deetman in opdracht van de katholieke kerk, de commissie Samson op last van de overheid.

Opeens volgden dit voorjaar het ene verhaal over misbruik in katholieke jeugdinstellingen, het andere op in de media. Over nonnen en paters die de kinderen onder hun hoede betastten, zoenden, aanranden, begluurden, oraal of anaal verkrachtten. Als reactie belastte de Nederlandse Katholieke Kerk de commissie Deetman afgelopen maart met onderzoek naar kindermisbruik in katholieke jeugdinstellingen. Zo’n duizend meldingen van slachtoffers ontving deze commissie al.

Sommige van deze kinderen waren ‘vrijwillig’ in deze katholieke instellingen geplaatst, andere onder toezicht van de overheid. Wat de vraag opwierp, wie verantwoordelijk was – en is. En hoe zit het met kinderen die na ingrijpen van de overheid, opgroei(d)en  in andere instellingen? Of in pleeggezinnen? Ook daar gingen sommige opvoeders buiten hun boekje. Hoe veilig waren en zijn kinderen met een onder toezichtstelling of uithuisplaatsing – een overheidsmaatregel! –  eigenlijk?

Ook de overheid stelde dus een commissie in, onder leiding van oud-procureur generaal Rieke Samson-Geerlings. Sinds juli  kunnen slachtoffers, onder toezicht van de overheid geplaatst in jeugdinstellingen en pleeggezinnen, bellen, mailen en schrijven naar de commissie Samson via het Meldpunt Seksueel Misbruik. Dat kunnen dus kinderen uit katholieke én andere instellingen zijn. Honderden meldingen van misbruik kwamen tot nu binnen.

Slachtoffers, daders en betrokkenen kunnen misbruik in de overheidsjeugdzorg melden dat plaatsvond in de periode van 1945 tot nu. Het gaat om misbruik door medewerkers en medecliënten, waartegen het personeel de jeugdigen had moeten beschermen.

Misbruik bij vrijwillige plaatsing blijft buiten beschouwing, omdat dit buiten verantwoordelijkheid van de overheid valt. De commissie Samson kijkt of signalen van misbruik bij instellingen bekend waren en, óf, en hoe daarop is gereageerd. Tot nu bellen vooral slachtoffers en hun ouders, nauwelijks hulpverleners.

Wie belt, wordt uitgebreid gehoord. De commissie Samson controleert de misbruikverhalen niet op waarheid en neemt elke melding serieus. Bellers kunnen uitgenodigd worden voor een persoonlijke toelichting. Beide commissies roepen ook daders, (in het verleden) betrokken werknemers, ambtenaren of andere betrokkenen op, zich te melden. Zo wordt geprobeerd patronen in het misbruik te ontdekken.

Meldingen die aanleiding kunnen vormen voor vervolging en strafrechtelijk niet zijn verjaard  – afhankelijk van het soort misbruik –  , worden na overleg met de melder doorgegeven aan het Openbaar Ministerie. Waar nodig wisselt de commissie Samson informatie uit met de commissie Deetman.

In juli 2012 brengt de commissie verslag uit aan de hand van de meldingen, hoorzittingen, literatuur- en archiefonderzoek en interviews met mensen uit de jeugdhulppraktijk. Het rapport moet inzicht bieden in de cultuur binnen jeugdinstellingen, besluitvorming rond (uithuis)plaatsing en de seksuele moraal in een bepaalde periode of op een bepaalde plek . Dit laatste om de geschiedenis juist te interpreteren.

Het rapport zal (beleidsmatige) adviezen bevatten om misbruik in de overheidsinstellingen en pleegzorg in de toekomst te voorkomen. De adviezen aan de hand van recente misbruikschandalen zullen logischerwijs anders zijn dan die over gevallen van een halve eeuw geleden.

Misbruik melden kan op 070-3765272 (ook anoniem) of meldpunt@comsamson.nl

‘Er heerste een andere seksuele moraal’

Kees Kleijbergen kreeg als  directeur (‘79 – ‘09) van De Hertenkamp in Hollandsche Rading* een aantal maal te maken met misbruik door professionals.

Wanneer kwam u op De Hertenkamp in aanraking met misbruik door professionals?

Een maand voor mijn aanstelling was er een medewerker ontslagen die met jongens op het internaat had gerommeld. Kort daarna vertelde een jongen die stage liep bij de plaatselijke kruidenier, dat hij in diens broekzat had moeten tasten naar magazijnsleutels – zogenaamd omdat de kruidenier zijn handen vol had. Hij greep in een volledige erectie.

Een paar jaar later, na de verandering van jongensinternaat in gemengd internaat, waren er geruchten dat een medewerker zijn handen niet van de meisjes afhield.

In een gesprek met het team en hem, confronteerde ik hem met de vermoedens. Hij ontkende. Ons ‘niet pluis’-gevoel bleef. Twee maanden later biechtte een meisje  hun ‘relatie’ op. In het gesprek met hem, het meisje, mijn adjunct-directeur en ik, bekende hij en diende op mijn verzoek zijn ontslag in.

Ongeveer een jaar later deelden collega’s hun vermoeden over een andere medewerker. Hij bekende dat hij een meisje welterusten had gekust – op de mond – en dat het vervolgens uit de hand was gelopen. Hij vertrok.

Rond de jaren negentig vertelden meiden tegen de sociaal-cultureel werker over een jongen, groepsgenoot, die ’s nachts de slaapkamers afging en hen verkrachtte. Hij werd overgeplaatst. Later in het fasehuis voor meiden, begon een begeleidster van rond de dertig, een relatie met een 17-jarig meisje.

Misbruik lijkt wel schering en inslag.

Dat vind ik wel meevallen. Ik praat over een periode van dertig jaar. Misschien dat zich één medewerker per jaar schuldig maakt aan grensoverschrijdend gedrag. Ten opzichte van bijvoorbeeld ruim zeventig medewerkers die direct met kinderen werkten begin jaren negentig.

Bedenk ook dat er door de jaren zestig een andere seksuele moraal heerste. De kinderen gedag en welterusten wensen met een kus op de mond was heel gewoon op De Hertenkamp. Ik vond dat niet normaal en heb dat bij mijn aantreden verboden. Wat tot discussies leidde over het gemis aan affectie voor kinderen. Discussies zogenaamd in het belang van het kind.

U confronteerde de daders met uw vermoedens. Is dat wat u anderen aanraadt?

Ik had de illusie en overmoed dat iemand door een pittig gesprek wel zou bekennen en zulk gedrag zou laten. Dat laatste is zeer de vraag. Nu zou ik aangifte doen.

Is dat genoeg?

Later hoorde ik dat de medewerker die bij ons een relatie met een meisje had gehad, weer als groepsleider werkte bij een andere jeugdzorginstelling. Ik belde de directie en vertelde over mijn ervaringen met hem. Daar deden ze niets mee. Foute boel natuurlijk.

In een functie als interim-manager in 2009, kwam ik ook een medewerker tegen die op een verkeerde manier aan kinderen zat. Dat was bekend. Maar hij had zoveel macht gekregen, doordat hij in allerlei bestuursorganen zat, dat optreden lastig was. Dus werd hij telkens ‘weggepromoveerd’. Eigenlijk moeten zulke medewerkers niet meer met kinderen en jongeren werken. Maar ik ken geen instantie bij wie je zulke medewerkers meldt.

Bieden protocollen en veiligheidsinstrumenten uitkomst?

Nee. Protocollen helpen risico’s inschatten en juist handelen. Tegelijkertijd is het vervelende dat je protocollen als verweer kunt gebruiken: ik heb toch gehandeld volgens het protocol? Meer kan en hoef ik niet te doen.

Je kunt camera’s ophangen, sollicitanten om de Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) vragen. Maar misbruik heb je nooit honderd procent onder controle. Misschien moeten werkgevers consequent referenties opvragen en antecedentenonderzoek doen (onderzoek naar de achtergrond van de sollicitant en eventueel zijn familie of vrienden, MvD).

Verder kan beroepsregistratie een drempel opwerpen. Net als tuchtrecht.  Belangrijk is dat je een sfeer creëert waarin jongeren het gevoel hebben dat er naar hen wordt geluisterd. Dan durven ze eerder aan de bel te trekken.

Kleijbergen werkt tegenwoordig als stafmedewerker Jeugdzorg bij Defence for Children.

*Nu: De Rading Jeugd en Opvoedhulp

Dit artikel verscheen in JeugdenCo 8 (december) van 2010