Het contrast kan niet groter. Op het schoolplein een dertigtal joelende, rondrennende kinderen, felle zon, een frisse wind. In het klaslokaal zitten zeven kinderen in hun rolstoel, er klinkt nasaal gebrom. Verschillende werelden. Maar niet gescheiden van elkaar.
Zeven meervoudig gehandicaptekinderen zitten op een gewone basisschool in Heerhugowaard. Een bijzonder project met veel voordelen, zegt initiatiefnemer Roeland Vollaard. ‘Hier gaat de aandacht naar leren, óók voor kinderen zonder leerplicht.’
Het contrast kan niet groter. Op het schoolplein een dertigtal joelende, rondrennende kinderen, felle zon, een frisse wind. In het klaslokaal zitten zeven kinderen in hun rolstoel, er klinkt nasaal gebrom, mild licht valt door de met doorzichtig plastic afgeplakte ramen naar binnen. Verschillende werelden. Maar niet gescheiden van elkaar.
Sinds oktober 2006 is basisschool De Aventurijn in Heerhugowaard een bijzonder klasje kinderen rijker. Kinderen zonder leerplicht, meervoudig gehandicapt. Hun leeftijden variëren: de jongste, Lucyano, is 5 en Dimphy, de oudste, is 15. De kinderen krijgen zorg en hulp van twee begeleiders én van zo’n honderd basisschoolleerlingen. Een vorm van inclusie: ze doen met de andere kinderen mee waar dat mogelijk is.
Vandaag tijdens de ochtendpauze zijn er drie basisschoolkinderen op bezoek. Roy beweegt een babymuziekdoos voor Lucyano’s neus. Lucyano met zijn zwarte stekelhaar en dikke brillenglazen, houdt het hoofd schuin. Roy aait zijn hand. ‘Lucyano is mijn beste vriend. Ik vind het leuk om met hem te spelen. Hij kan best veel. Ben je mijn vriend? Kijk maar, hij zegt “ja”,’ wijst Roy. Ondertussen geven Kjell en Lars hun broertje Finn een knuffel met een touwtje en een lus. Finn legt de lus onmiddellijk om één van de twee vingers aan zijn linkerhand en draait het speeltje rond boven zijn hoofd. Als het valt, pakken zijn broers het voor hem op. Elke dag komen er wel leerlingen langs, vaak zijn het dezelfde. Ze vertellen iets aan de meervoudig gehandicapte kinderen, spelen met ze, vegen een kin vol spuug af of helpen eten geven. Of de gehandicapte kinderen gaan een tijdje meedoen met een gewone les in een klas. ‘Er komt een kind vanDe Klink,’ zeggen de leerlingen dan, omdat de kinderen officieel bij het Orthopedagogisch Dagcentrum De Klink in Opmeer horen. Het lokaal is in feite een dependance van dat centrum. Wordt er in de hogere klassen muziekles gegeven, dan mag Jori (14) bijvoorbeeld meedoen, want hij is dol op muziek. Maar ook als de kinderen elkaar niet opzoeken, stimuleert de aanwezigheid van ‘normale’ kinderen de meervoudig gehandicapten, is de overtuiging van initiatiefnemer Roeland Vollaard. ‘Ze horen kinderstemmen op de gang en elke dag gebeuren ongeplande dingen.’ Roeland richtte als clustermanager van De Klink deze ‘klas op wielen’ binnen een reguliere basisschool op. ‘De premier van Nederland en de junk op straat, ze gingen allebei naar een gewone basisschool. Waarom deze kinderen dan niet? In een dagopvang worden ze vaak te weinig geprikkeld. Begeleiders hebben hun handen vol aan de verzorging en er is weinig tijd voor uitdagende activiteiten. De kinderen dutten er in.’ Roeland wijst naar Jori: onderuitgezakt in zijn rolstoel, de kin op de borst. Zacht duwt hij zijn hoofd weer terug naar de hoofdsteun. ‘Gewone kinderen zijn elkaars activiteitenbegeleiders, maar meervoudiggehandicaptekinderen hebben elkaar niet veel te bieden.’ De broers Kjell, Lars en hun vriend Roy zien door het raam hun klasgenoten naar binnen lopen. De pauze is voorbij en ook zij moeten terug naar hun klas. Hun vriendjes krijgen een aai, naar de anderen wordt gezwaaid. Sabine maakt een snurkend geluid. ‘Tot vanmiddag!’
Roeland en begeleider Sietske Jongeneel zien wel dat sommige kinderen van het groepje populairder zijn dan andere. Worden ze fysiek erg duidelijk puber, met baardgroei en acne, zoals Dennis (14) en Dimphy(15), dan voelen de basisschoolkinderen minder aansluiting. Jarno (6) is klein en heeft een leuke kop met blond haar, maar dat hij soms onbedoeld uithaalt met zijn maaiende armen, is bedreigend voor jongere kinderen. ‘Je moet de gewone kinderen dus laten zien wat ze kunnen met een kind dat niet zo makkelijk contact legt uit zichzelf. Of ze bijvoorbeeld vragen een kind eten te geven,’ legt Sietske uit.Drie kleuters lopen binnen. Een van de drie heefteen feestmuts op en houdt een zilveren dienblad voor zich uit. Ze geeft Roeland, Sietske en de invalbegeleider een gevulde koek en mag daarna een sticker uitzoeken. Naar de rolstoelkinderen kijken de kleuters nauwelijks. Niks bijzonders, toch? Intussen hebben de Klink-kinderen hun toetje en wat drinken op, via een sonde of uit een beker. Jarno krijgt een insult. De invalbegeleidster tilt hem in een vergroot ledikant met kussens tegen de houten wanden en op de bodem. Na wat onrustig gestommel valt hij in slaap.
Nee, er komen niet de hele dag kinderen over de vloer. En het is geen af en aan rijden van rolstoelen naar klassen. ‘Inclusie is: momenten van ontmoeting,’ verklaart Roeland. ‘Kijken waar het kan en wanneer.’ Maar is een omgeving waar leren centraal staat wel de goede plek voor kinderen die ontheven zijn van leerplicht? ‘Juíst. Het is erg dat deze kinderen de leerplicht is ontnomen. Ze kunnen namelijk nog best veel leren. Kijk naar Finn.’ Finn zoemt klagend en kijkt omhoog. ‘Nu moppert hij als hij iets wil. Leer je hem niet wijzen naar wat hij wil– want dat kan hij, daarvan ben ik overtuigd – dan staat hij over een tijd te boek als humeurig en blijft afhankelijk van wie hem begrijpt. In een school gaat van nature de aandacht ook naar leren. En omdat ook hier begeleiders weinig tijd over hebben voor leren en spelen, is het fijn dat de schoolkinderen kunnen helpen. Zo oefenen de kinderen meer.’Dat de betrokkenheid van de school kinderengroot is, bleek toen een van de Klinkkinderen overleed. Veel leerlingen kwamen naar de condoleance, brachten tekeningen en kwamen vragen hoe dat toch kon. En even geleden werd Lucyano met gillende sirene afgevoerd in een ambulance. Ernstig benauwd. De school in rep en roer, kinderen informeerden bezorgd hoe het ging. Begeleider Sietske schreef een stukje in de schoolkrant over wat er was gebeurd. De kinderen kénnen elkaar nu ook. Zag je gehan-dicapte kinderen eerder bijna nooit op straat– om acht uur verdwenen ze een busje in en pas ’s avonds kwamen ze moe thuis – of waren ze een bezienswaardigheid in het winkelcentrum, nu wordt er ‘Hoi Sabine!’ geroepen tegen de krullenbol met haar blauwe ogen. Sabines moeder, Sascha Verkade, is daar erg blij mee. ‘Fijn voor mij dat we minder worden aangestaard. En leuk voor Sabine, dat ze dan even een aai over haar hand krijgt. Want toen mijn andere twee kinderen groter werden en er minder vriendjes van hen over de vloer kwamen, werd Sabine steeds stiller. Ze lachte minder. Nu ze overdag meer onder andere kinderen is, is ze vrolijker en alerter.’
Keihard bewijs dat de beperkte kinderen beter gedijen en meer worden uitgedaagd als ze vaak gewone kinderen ontmoeten, is er niet. Oprichter Roeland zou het graag laten onderzoeken en praat daarom met een hogeschool over hoe het effect gemeten kan worden. En worden de kinderen niet vooral moe van alle geluiden en gebeurtenissen op zo’n drukke school? Roeland: ‘We horen vaak dat ze beter slapen. Sommigen zijn de eerste weken vermoeider, maar ze kunnen al snel meer aan.’ Volgens moeder Sascha is Sabine zeker niet vermoeider: ‘Naar de dagopvang in Heiloo zat ze een tot anderhalf uur heen en terug in het busje. Zeker ’s zomers, met de brandende zon op de ramen, kwam ze vaak helemaal gaar thuis. Nu duw ik haar ’s middags in haar rolstoel binnen vijf minuten naar huis.’
Dimphy vermaakt zich op de grond en topt speelgoed in haar mond, Jori en Sabine worden in het grote bed getakeld. Jori schrikt elke keer als Sabine hoest of snurkend inhaleert. Jarno slaapt nog. ‘Goed als ik nu even ga?’ overlegt Sietske met de invaller. Die knikt. Sietske rijdt met Lucyano naar de aula, waar groep zeven wordt voorgelezen door de leerkracht. De leerlingen liggen op het podium tegenover hem. Ze kijken heel even op als Lucyano binnenrijdt, een enkeling steekt de hand op. Door zijn dikke brillenglazen kijkt Lucyano richting de zwarte gordijnen en de zonverlichte ramen. Nae en paar minuten begint hij tegen zijn rolstoel te tikken. ‘Het is een beetje te veel voor je,’ concludeert Sietske. Ze draaien weer om en vertrekken.
De activiteiten met de klassen vinden wat ad hoc plaats. Het is moeilijk om een vaste afspraak te maken. Want met Jarno moet een begeleider mee vanwege de aanvallen die hij krijgt en na een insult kan Jarno toch niet meedoen. Als er een afspraak is, loopt die vaak anders. Dan blijkt Dimphy het kringgesprek niet het hele uur vol te houden. Sietske merkt dat sommige leerkrachten het vervelend vinden als het bezoek in hun ogen ‘mislukt’. ‘Zoals toen Dimphy na tien minuten huilend terug moest worden gereden. Maar zo is het gewoon: de ene dag gaat het wel, de andere niet. Leerkrachten en leerlingen pikken die signalen overigens wat minder snel op. Wij begeleiders merken sneller dat het te veel is. Dat is ook een kwestie van leren kennen. Daarom zouden we het liefst een Klink-kind koppelen aan één klas. Ook zodat het dan ‘overgaat’ naar de volgende groep, zoals andere kinderen, en het duidelijk ergens bij hoort.’ Het is ook zoeken: hoe kunnen de Klinkkinderenen leerkrachten en leerlingen elkaar van dienst zijn? Sietske: ‘Ik haal met een kind eens per week de was op in de hele school en die wassen we dan hier. Zoiets is voor iedereen nuttig.’ Andersom bedacht Sietske onlangs een ontwerpwedstrijd voor de ‘gewone’ klassen: wat is de perfecte slab voor onze kinderen? Per leerkracht verschilt de betrokkenheid natuurlijk. Marja Sanders van groep acht vindt het nooit lastig als een Klink-kind meedraait. ‘Mijn leerlingen leren er veel van. Dat Lucyano je hand pakt en kust is charmant, maar na een tijdje zagen mijn leerlingen ook dat het aangeleerd gedrag is. De gehandicapte kinderen worden mensen voor hen: zeiden mijn leerlingen eerst nog ‘gadverdarrie’ als een kind kwijlde, nu pakken ze een doekje.’
Vooruit. Twee nadelen dan. De therapeuten moeten speciaal naar de school toe komen en dat vereist een goede planning. En: er is wat minder zicht op de begeleiders, aan wiens verantwoordelijkheidsgevoel veel wordt overgelaten. Maar Roeland ziet vooral veel voordelen. En ook: ‘Zelfs al zou het voor meervoudig gehandicapten niet uitmaken of dit beter voor ze is, dan nog moet je deze vorm van inclusief onderwijs aanbieden. Want zo’n klas op wielen is heel leerzaam voor de gewone kinderen.’
KADER
Gewoon naar de basisschool
Roeland Vollaard startte deze klas in 2006 in Heerhugowaard. Omdat de kinderen geplaatst zijn in een dependance van een orthopedagogisch dagcentrum, verloopt de financiering via Zorg in Natura. In september start zo’n bijzondere klas in de Matthiasschool in Alkmaar. Vanaf 2013 gaan deze schoolen de klas meervoudig gehandicapte kinderen op in een Brede School, waardoor meer integratie mogelijk wordt. De dagbesteding in Alkmaar wordt betaald uit de pgb’s van de kinderen en kost 120 euro per dag. Omdat de pgb’s politiek onder druk staan, wordt ook gewerkt aan financiering uit Zorg in Natura. NSGK voor het gehandicapte kind financiert de opstartkosten. (Zie www.pgb-school.nl.) Vergelijkbare initiatievenIn Breda zijn Claudia van den Bliek en Margo Kerstens een groep voor kinderen met een complexe zorgvraag gestart op een Brede School (zie www.stichting-mees.nl ).In West-Brabant is Mirjam Geers, moeder van een meervoudig gehandicapt kind, bezig meteen vergelijkbaar initiatief binnen een basisschool. Wie mee wil helpen of adviezen heeft, kan mailen naar mcgklas@gmail.com.
