Interview Jan Marijnissen

Download PDF

Je mailde: ‘Dat moesten we dan maar een keer doen, een interview over Chris’. Hoezo?
‘Ik ben nooit over hem geïnterviewd. Voor mijn werk deed dat er niet toe. Ik kan er ook zo weinig over vertellen. Hij is zwaar mongoloïde. Hij loopt slecht, praat niet, herkent mij of mijn zussen niet. Ik weet niet hoe hij dingen beleeft en ga dat ook niet voor hem invullen. Omdat hij geen taal heeft, kan ik nietsmet hem delen. Je krijgt geen respons. Dat is pijnlijk en daarom praat ik er niet graag over. Dat je zo weinig terugkrijgt, was ook de frustratie van mijn moeder. Elke keer na een bezoek aan het tehuis – vanaf zijn 11e woonde hij niet meer thuis – ging het over dat gebrek aan contact. Hoewel hij haar wel herkende. Als enige. Je merkte dat aan zijn wildere bewegingen, zijn geluiden. Hij wilde altijd meteen haar tas hebben, om eraan te voelen. Vertrok onze moeder weer, dan ging hij in een hoekje zitten en verborg zijn gezicht in zijn handen.’

Moest Chris uit huis vanwege de dood van je vader?
‘Nee, mijn ouders hadden dat samen al besloten, een jaar voordat mijn vader onverwacht overleed aan een hartinfarct. Chris ging bij de Duitse nonnen in St. Michielsgestel wonen. De enige plek in de buurt waar hij terecht kon. Het was onverantwoord om hem nog thuis te houden. Hij liep zomaar de straat op als hij de kans kreeg, was onberekenbaar en werd soms agressief. Mijn moeder kon hem niet meer aan.’

Dat gesticht was geen prettige plek voor hem, schreef je eens in je weblog.
‘Ik herinner me de pislucht in de gangen. En dat we altijd lang moesten wachten voordat we naar hem toe mochten. Er hing zo’n ziekenhuissfeer. Akelig. De kinderen lagen op zaal. Ook Chris. Vastgebonden in bed. Niet leuk om te zien, nee. Om aan te geven hoe hartelijk de sfeer was: als kind heb ik een keer na school de vijfentwintig kilometer van Oss naar St. Michielsgestel gefietst. Een vriendje dat meefietste, haakte halverwege af – veel te ver. Bij de poort aangekomen zei een non dat het nu niet uitkwam. Het was geen bezoekuur. Ik kon nog net een glas water krijgen. We waren dolblij dat hij twee jaar later terechtkon bij De Binckhorst in Rosmalen. Nadat we hem hadden weggebracht, zijn we uit eten gegaan om dat te vieren. Hij woont er nog steeds, als een van de oudste bewoners.’

Hoe was dat, opgroeien met een zwaar beperkte broer?
‘Voor mij als jongste was Chris’ aanwezigheid heel vertrouwd. Alleen wanneer vriendjes bij ons thuis kwamen en zich wild schrokken van hoe hij eruitzag en zich gedroeg, merkte ik dat het niet zo gewoon was. Een vriendje stond eens bij ons in de keuken toen Chris een woedeaanval kreeg. Het meest indrukwekkend vond hij dat mijn moeder in koelen bloede snel het mes wegborg. Dat soort dingen vielen mij niet meer op. Mijn zussen en ik hoefden niet mee te helpen met zijn verzorging. Dat deed mijn moeder. Zij was altijd thuis met hem. Soms speelde ik eventjes met Chris. Een balletje naar hem toe rollen, beetje kietelen. Verder had ik mijn eigen vriendjes en mijn eigen leven. We schelen maar anderhalf jaar en mijn moeder zette ons als dreumesen in wippertjes op tafel en gaf ons om de beurt een hap eten. Zij vertelde dat, als we samen in de box zaten en hij een dreun uitdeelde, ik nooit terugsloeg.’

In debatten kon je anders wel aardig van je afbijten.
‘Op Chris kon je niet boos worden. Zelfs niet toen hij een keer, zoals elke morgen, bij me in bed kroop en het tl-lampje boven mijn bed van de muur rukte. Dat leeslampje was een langgekoesterde wens van mij, die na lang zeuren eindelijk in vervulling was gegaan. Tja, zulke dingen deed Chris.’

Werden jullie nagekeken of gepest om hem?
‘Weet ik niet. En zo vaak was Chris niet buitenshuis, want hij kon nauwelijks lopen. Maar mijn zus heeft weleens verteld dat ze met hem in de wandelwagen liep en iemand haar nariep: “Moet jij dáármee gaan wandelen?”. Met de buren hadden we soms ruzie. Chris was namelijk dol op auto’s. Als-ie de kans kreeg, kroop hij gauw in de auto van onze buren. Vonden ze niet leuk. Mijn vader had net zijn rijbewijs gehaald en hij huurde weleens zo’n Tsjechische auto, een Wartburg. Daarin reden we dan met zijn drieën.’

Welke invloed heeft Chris op jouw leven gehad?
‘Natuurlijk heeft zijn bestaan een stempel op ons als gezin gedrukt. En op mij. Maar hoe precies? Ik weet het niet. Ik denk daar niet veel over na.’

Heeft het iets te maken met jouw wil om op te komen voor zwakkeren?
‘Ach. Dat vind ik een beetje goedkoop. Een beetje koketteren met je jeugd. Het wordt me ook altijd gevraagd over mijn vader. Of zijn vroege dood te maken heeft met mijn oog voor minder kansrijke mensen. Of mijn tijd op kostschool, tussen mijn 11e en 15e jaar. Zo is het gewoon gegaan.’

Na kostschool woonde je tot je 26e weer thuis. Had je dat nodig?
‘Om weer kind te zijn, bedoel je? Nee, ik was er nauwelijks. Druk met werken in de fabriek en mijn belangstelling voor politiek. Als ik thuis was, moest ik mannendingen doen: het tuinpad aanharken, reparaties verrichten. Of mijn moeder en ik maakten aan de keukentafel ruzie over God. Vroeg ik haar: “Hoezo is Hij liefde? Waarom is de wereld dan zo?” Eens werden we het nooit. Het was fijn dat het eten klaarstond, en dat de was werd gedaan. En als ik ging stappen, bleef mijn moeder wakker tot ik thuiskwam. ’s Morgens kon ik nauwelijks wakker worden. Dan drukte mijn moeder op een knop die ik in haar slaapkamer had geïnstalleerd. Die knop zette naast mijn oor een flinke, ouderwetse deurbel in werking. Ze drukte net zo lang tot ik ontwaakte – en dat duurde wel even. Eens per maand bezochten we Chris met zijn tweeën. Altijd arriveerden we met volle tassen, want ze nam steevast wat lekkers mee: twee alcoholvrije biertjes voor hem, taart voor het personeel. Toen mijn moeder acht jaar geleden stierf, is hij zelfs op de begrafenis geweest. Ik vroeg me nog af of dat verstandig was, maar mijn zussen vonden: hij hoort erbij. Twee verpleegkundigen gingen mee en hij gedroeg zich prima. Of hij doorhad wat er aan de hand was, weet ik niet. Mist hij mijn moeder? Geen idee.’

Jij en je vrouw kregen een kind. Was je bang dat het gehandicapt zou zijn?
‘Een erfelijke factor speelde niet mee: mijn ouders zijn vanwege de oorlog laat getrouwd en mijn moeder kreeg pas na haar 40e haar eerste kind. Toch hebben mijn vrouw en ik geen enkel risico genomen. Dus ook de vlokkentest gedaan. Prenataal testen was voor mij belangrijker dan voor mijn vrouw. Al weet ik niet wat we gedaan zouden hebben als was gebleken dat het niet goed was. Je kunt daar ideeën over hebben, maar als je er vóór staat, is het anders. Dan is het er al. En het is van jou. Ik heb toen ook wel nagedacht over de angsten die mijn moeder moet hebben uitgestaan toen ze na Chris zwanger werd van mij. Ik kon me die angst goed voorstellen. Mijn moeder werd ook prompt overspannen na mijn geboorte.’

Of depressief?
‘Daar heeft het alle schijn van. Ze is haar hele leven behoorlijk depressief geweest en slikte daar medicatie tegen. Een ‘ongelukkig’ kind hebben was zwaar, helemaal als alleenstaande moeder. Maar wat ook zwaar drukte, was de opvatting uit het katholicisme. Een gehandicapt kind betekende: gij zijt schuld. Die overtuiging heeft mijn moeder geplaagd. Ze ging gebukt onder de gedachte dat zijn komst een straf van God was. Mijn ouders hebben van alles geprobeerd om Chris op een hoger niveau te tillen. Ze hebben financieel kromgelegen voor een verblijf in Zwitserland, waar hij als kleuter maanden is geweest. Ik heb de brieven wel gezien, waarin werd gesproken over ‘vooruitgang’. Bij thuiskomst wilde mijn moeder natuurlijk zien dat hij was veranderd. “Kijk! Hij trekt het kleed niet meer meteen van de tafel af!” Snel werd duidelijk dat er geen progressie was geboekt. Daarna hebben mijn ouders de hoop opgegeven.’

Lees verder in Lotje&Co 5