Stage of strafkamp

Download PDF

Elk jaar gaat een aantal jeugdzorgjongeren ploeteren bij een Franse boer, een halfjaar inwonen bij een Nederlands gezinin Tsjechië of anderszins met een therapeutisch doel naar het buitenland. Waarom zou dat werken?

Wat buitenlands jeugdzorgaanbod (BZA) inhoudt, is voor veel mensen onduidelijk, zowel in als buiten de jeugdsector. Een buitenkansje voor zonaanbiddendejeugdzorgwerkers? Een werkvakantievoor jongeren? Een gratis hulpjevoor een buitenlandse boer? De onduidelijkheid is begrijpelijk, want BZA is divers. Het kan gaan om een verblijf bij geëmigreerde Nederlandse jeugdzorgprofessionals, bij pedagogisch werkers uit het land zelf of bij een lokaal gezin.

Centre Aurillange France (CAF) in Frankrijk is een vande organisaties waar veel Nederlandse aanbieders zaken mee doen: Horizon Jeugdzorg, Zandbergen Jeugd- en Opvoedhulp en Lindenhout bijvoorbeeld. In januari stond opeens een verhaal over een cliënt van Lindenhout en Aurillange in het AD. De zeventienjarige Joey zou zijn uitgebuit door de Fransman bij wie hij woonde. Die was te streng en gaf hem weinig eten. “Een strafkamp”noemt hij het verblijf in de krant, vanwege de “agressieve boer die veel schreeuwde”. Hij vluchtte en bezeerde zich onderweg.

Áls buitenlandse jeugdzorg in het nieuws komt, is het vaak negatief. Terecht? Annet van Zon, van de raad van bestuur bij Lindenhout: “Dit is geen makkelijke groep. Het gaat om jongeren vanaf zestien jaar die ernstig zijn vastgelopen. Hulpverlening in de thuisomgeving heeft altijd de voorkeur– tenslotte moet het kind altijd thuis verder. Maar een buitenlandverblijf haalt ze uit hun comfortzone; ze móeten wel met zichzelf aan de slag.”

Er zijn een aantal knelpunten. Door de afstand is het moeilijk monitoren of de begeleiding en methodiek juist worden ingezet. Een jongere legt niet even contact in geval van problemen, uitbuiting of misbruik: meestal wordt de mobiel ingeleverden is toestemming nodig voor telefoon- of internetgebruik. Ook verschilt de wet- en regelgeving per land, bijvoorbeeld met betrekking tot softdrugs en tot brandveiligheid.

Toezicht

In 2008 organiseerde de Inspectie jeugdzorg bijeenkomsten met beleidsmakers, zorgaanbieders en cliënten betrokken bij BZA. Als voortvloeisel daarvan stelde het programmaministerie van Jeugd en Gezin aanvullende eisen aan buitenlandse hulp. Overigens pas in 2010 – het rapport uit 2009 was in de bureaulade van de minister blijven liggen. Daarop stelden het Interprovinciaal Overleg (IPO), JeugdzorgNederland (toen nog MOgroep) en Inspectiejeugdzorg kwaliteitsmaatstaven vast, die nu als richtlijn gelden. Toezien of aan de kwaliteitsmaatstaven wordt voldaan– een taak voor provincies en inspectie – klinkt eenvoudig. Maar een overzicht van wet- en regelgeving bestaat niet. En de inspectie kan in het buitenland niet zomaar toezicht houden. Stafjurist Irving Levie van Inspectie jeugdzorg:“Voor een groot deel houden we toezicht door verslagen te lezen, te kijken of er een behandelplan is. Voor het overige kunnen we een buitenlandse inspectie vragen.” Maar niet in alle landen bestaat een (landelijke) inspectie. “Wil het betreffende land geen toezicht houden, dan spelen we de bal terug naar de zorgaanbieder”, zegt Levie. “Die moet ervoor zorgen dat toezicht mogelijk is, anders moet het zorgaanbod stoppen.” Blokkeert inspectie BZA daarmee niet? “Dat kun je zo opvatten. Maar we moeten de veiligheid van kinderen kunnen controleren, anders moeten ze daar nietn aar toe.” Wouter van Weenum, coördinator van Intermezzo(Hoenderloo Groep), dat buitenlandverblijven organiseert in diverse landen, is daar verontwaardigd over. “Het is toch niet aan aanbieders om internationaal allerlei afspraken te maken? Dat lijkt me een overheidstaak.” Sinds februari onderzoekt de inspectie hoe toezicht het best kan plaatsvinden. Eigenlijk is zelfs niet helder op hoeveel kinderen toezicht gehouden moet worden. Vorig jaar kwam het IPO tot 140 jongeren in het buitenland; een jaar eerder kwam de inspectie tot  minstens 330. Plaatsing buiten de EU mag niet meer, nadat dev eiligheid van werkers en meiden met loverboyproblematiekvan het project Valor (Hoenderloo Groep) in India onvoldoende gegarandeerd kon worden. Valor stopte in 2008; de methodiek maakt waarschijnlijk een doorstart in Ierland.

Kinderarbeid

Over wat de methodiek of inhoud bij BZA moet behelzen, verschillende meningen. Annet van Zon van Lindenhout vindt dat er niets mis is met werken. “Kinderarbeid is het zeker niet. De Franse arbeidsinspectie heeft CAF enige jaren geleden uitgebreid onderzocht: was dit uitbuiting onder het mom van hulpverlening? De Franse kinderbescherming oordeelde dat het een vorm van ‘stage’ is. Werken laat jongeren merken dat ze veel meer kunnen dan op de bank hangen.” Ook Rick de Jeu van Horizon Jeugdzorg is overtuigd van ervaringsleren, door een periode te werken of inspannende tochten te maken. “Het is een indringende ervaring. Jongeren hebben er een andere relatie met hun begeleider dan wanneer ze in een leefgroep of gezin in Nederland wonen. Ze zijn afhankelijk, hebben iets te winnen bij goed contact. Regels gelden er niet zozeer omdat een begeleider die heeft gesteld, maar simpelweg omdat er ‘natuurlijke’ consequenties aan zitten: kneed je het deeg niet goed, dan eet jij vies brood. Verder is hun begeleider er dag en nacht. Betere zorgcontinuïteit dus dan in een residentiële setting.”

Gedurende die vijf maanden volgen jongeren geen onderwijs. En een diploma dan? “Jongeren krijgen een getuigschrift. Want werkgevers van fysieke beroepen hechten wel degelijk waarde aan praktijkervaring. De meesten hadden toch al een problematische schoolloopbaan.”

Prikkelarm

Michiel Noij, Van Weenums collega-coördinator bij Intermezzo, vindt die aanpak te mager. “Als hij de taal niet spreekt en zijn gevoelens niet kan verwoorden, vereenzaamt zo’n kind, en hulp verwordt tot verblijven en voor nop werken. Maandenlang geen onderwijs vergroot de stap om terug naar school te gaan. En zonder diploma kom je in Nederland niet ver. Een dagritme krijgen en taken verzorgen kan net zo goed, of zelfs beter, in een Nederlandse instelling: hond uitlaten, grasmaaien, meegaan met gezinsuitjes.” Intermezzo doet het dan ook anders. “Bij ons is een eventueel buitenlandverblijf de eerstef ase in een behandelplan, met om de zes weken met verlof, bij voorkeur thuis.” Van Weenum vult aan: “Kunnen ze meteen oefenen. En dat wordt dan besproken, met een systeembegeleider. Verder volgen jongeren elke doordeweekse ochtend digitaal onderwijs. De jeugdigen worden met een elektronisch dossier gevolgd, toegankelijk voor begeleidersin buitenland en Nederland.”

Verbeterd dagritme, lichte werkzaamheden uitvoeren –is het platteland van (Nederlandstalig!) Noordoost-Groningen niet geschikter? Dat is toch ook prikkelarm en ver weg van Randstedelijke verleidingen en ‘slechte vrienden’? Dat bestrijden Noij en Van Weenum. “Wie wegloopt in Zweden, loopt na uren nog in de bossen. Op onbekend gebied aangewezen zijn op de begeleiders, dat maakt jongeren toegankelijker voor gedragsverandering.” Belangrijk blijft steeds dat het buitenlandverblijf niet losstaat van de behandeling, benadrukken de coördinatoren. Dus bij terugkomst moet er meteen plek zijn op behandelgroep en school. Geen nazorg, maar voortgang van behandeling bij de Hoenderloo Groep. De Jeu van Horizon erkent dat terugkomst de achilleshiel van BZA is. “Thuis is alles hetzelfde gebleven. Daarom geven jongeren een presentatie voor leefgroepgenoten of ouders. Het belangrijkste is dat ze meteen voor de groep formuleren wat ze anders gaan doen. Daarna bieden we een tijdlang nazorg, want zonder hulp kunnen ze het nieuw geleerde gedrag hier niet in de praktijk brengen.”

Bij zowel Tender Jeugd- en Opvoedhulp Brabant als Lindenhoutkrijgen ouders ondertussen intensieve begeleiding. Manager Theo Ruikes van Tender: “Soms vragen we of ouders het kind kunnen ophalen en knopen er een gezinstraining aan vast. Zo zien ouders wat hun kind heeft geleerd en leert het gezin anders omgaan met elkaar. Graag zouden we meergezinstrainingen doen, maar het budget is daarvoor ontoereikend.” Ook Horizon gelooft dat het gezinssysteem beter betrokken moet worden en biedt sinds kort systeemweken in het buitenland aan. Het gezin kampeert en onderneemt activiteiten. De Jeu: “Zie je moeder met zweet op de rug de tent opzetten, dochter zittend in het gras negatieve opmerkingen maken.K un je meteen zeggen: ‘Zo, nu draaien we het even om.’ Vaak een eyeopener.”

Bewijzen

Werkt dit? Jeugdzorgwerkers, jongeren en hun ouders hebben het gevóél van wel. Naar schatting van jeugdzorgorganisaties zou zo’n zestig procent zo veel profijt hebben van het verblijf, dat ze weer aardig uit de voeten kunnen. Twintig procent belandt alsnog in een veel duurdere jeugdzorg-plusinstelling, bij de rest zit er geen schot in. Maar keiharde feiten zijn dit niet en het is onduidelijk of het effect op lange termijn aanhoudt.Theo Ruikes van Tender heeft een klein verkennend onderzoek naar de effectiviteit van buitenlandverblijven gedaan.Een lastige klus, zo bleek. “De methodieken verschillen, de projecten, de leeftijd en problemen, en het soort opvang, individueelo f in een groep.” Toch laat de vraag naar de resultaten hem niet los. “Er moet goed beschreven gaan worden hoe buitenlandse projecten eruit moeten zien, om wildgroei te voorkomen. Dan is ook onderzoek mogelijk – en nodig. Want ook ik heb na vijftien jaar ervaring het idéé dat BZA werkt. Maar voor financiers en samenleving moet je dat wel concreet kunnen bewijzen.”